Het kabinet wil dat de Nederlandse land- en tuinbouw fors minder chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt. Dat sluit aan bij een al langer gekoesterde ambitie om de teelt duurzamer te maken, maar volgens NU.nl blijven telers met belangrijke vragen zitten over hoe ze die omslag in de praktijk moeten maken.

Het doel

De richting is niet nieuw. In de Toekomstvisie gewasbescherming 2030 staat de ambitie van weerbare planten en teeltsystemen, met zo min mogelijk resten op producten en zo min mogelijk uitstoot naar het milieu. Achterliggende zorg is de kwaliteit van het water: resten van bestrijdingsmiddelen komen terecht in sloten en grondwater, en Nederland haalt de Europese doelen voor waterkwaliteit nog lang niet overal.

Waar de sector tegenaan loopt

Boerenorganisatie LTO Nederland zit in een spagaat. Aan de ene kant verdwijnen toegelaten middelen in rap tempo van de markt, vooral door strengere Europese regels. Aan de andere kant zijn werkbare alternatieven nog niet voor elk gewas beschikbaar, en vaak duurder. De organisatie waarschuwt dat sommige teelten voorlopig niet zonder chemische gewasbescherming kunnen.

De kernvraag die telers stellen: hoe overbruggen we de periode waarin het oude middel weg is en het alternatief er nog niet is, zonder dat de oogst en het inkomen eronder lijden?

Wat telers missen

De bezwaren draaien vooral om drie dingen. Ten eerste alternatieven: biologische of natuurlijke bestrijding bestaat, maar niet voor alles en niet altijd betaalbaar. Ten tweede duidelijkheid over het tempo: welk middel blijft nog hoe lang toegestaan, en staat het alternatief dan klaar? Ten derde het gelijke speelveld: als Nederlandse regels strenger zijn dan die in buurlanden, vrezen telers oneerlijke concurrentie en verplaatsing van productie naar het buitenland.

Zoeken naar balans

Voor het kabinet is het schipperen tussen twee belangen: schoner water en gezondere leefomgeving aan de ene kant, en een landbouwsector die het bedrijfsmatig moet kunnen bolwerken aan de andere. Zowel boeren als milieuorganisaties dringen aan op scherpere keuzes: de een wil meer steun en zekerheid voor de overgang, de ander wil sneller resultaat voor natuur en water. Zolang die invulling ontbreekt, blijft het doel voor 2030 vooral een richting waar nog een concreet pad naartoe moet worden geplaveid.