De Nederlandse overheid wil de komende jaren nieuwe kerncentrales laten bouwen, met Zeeland als voor de hand liggende locatie. Technisch is dat geen onmogelijke opgave. Toch draait de moeilijkste vraag niet om reactoren of veiligheid, maar om geld en afnemers: wie betaalt de bouw, en wie koopt straks de stroom? Zonder duidelijk antwoord op die twee vragen komt zo'n project moeilijk van de grond.

Wat Borssele laat zien

Om te begrijpen waarom nieuwe centrales lastig zijn, helpt het te kijken naar de bestaande. De kerncentrale in Borssele draait sinds de jaren zeventig, en die had bij de bouw iets wat nu ontbreekt: een grote industriële afnemer die zich verbond aan de stroom. Zo'n vaste afzet gaf de investeerders de zekerheid die een miljardenproject nodig heeft.

Bij de huidige plannen ontbreekt die zekerheid vooralsnog. De industrie in de regio zou in theorie afnemer kunnen worden, maar er liggen nog geen getekende contracten. Dat is precies het knelpunt waar de discussie om draait.

Waarom de rekening onzeker is

Kerncentrales staan wereldwijd bekend om forse kostenoverschrijdingen en vertragingen. Onderzoek naar grote kernprojecten laat keer op keer zien dat de bouw duurder en langer uitvalt dan vooraf begroot, ook in landen met veel ervaring, wijst onder meer WISE Nederland erop. Meer overheidsgeld leidt daarbij niet automatisch tot een lagere eindprijs.

Die onzekerheid schrikt private investeerders af. Zij stappen niet zomaar in een project waarvan de kosten jaren later fors hoger kunnen uitvallen. Daardoor is stevige betrokkenheid van de staat, via investeringen of garanties, in de praktijk vrijwel onvermijdelijk.

De rol van de overheid

De overheid bereidt zich daarop voor. Er wordt gewerkt aan een aparte organisatie die namens de staat mede-eigenaar en opdrachtgever kan worden, en er is publiek geld gereserveerd om in kernenergie te investeren, meldt Energietransitie.nl van de RVO. Maar dat betekent ook dat de staat een groot deel van het commerciële risico op zich neemt.

Het financieringsmodel is nog niet uitgekristalliseerd. Investeert de staat mee, bouwt en exploiteert zij zelf, of geeft ze vooral garanties af? Elke variant legt de risico's net iets anders neer, maar in alle gevallen komt een flink deel uiteindelijk bij de belastingbetaler terecht.

De knoop: prijs én afnemers

Hier komen de twee problemen samen. Stroom uit nieuwe kerncentrales is relatief duur vergeleken met wind en zon, en op korte termijn is er in Nederland geen acuut stroomtekort dat de bouw onvermijdelijk maakt. Industriële afnemers willen daarom zekerheid over stabiele prijzen voordat ze zich vastleggen, terwijl de bouw juist niet start zonder die afnemers.

De overheid ziet kernenergie wel als strategisch waardevol: een bron die CO2-vrij is, betrouwbaar levert en minder afhankelijk maakt van het buitenland. Die argumenten wegen mee in de politieke keuze. Maar ze lossen het onderliggende raadsel niet op. Zolang niet vaststaat wie de stroom afneemt en hoe de financiering sluit, blijft de bouw van nieuwe kerncentrales in Nederland vooral een kwestie van wie het risico durft te dragen.