De ANWB is een van de bekendste organisaties van Nederland, en tegelijk een van de meest tweeslachtige. Aan de ene kant een echte ledenvereniging met miljoenen leden en een leger aan vrijwilligers. Aan de andere kant een fors bedrijf met veel omzet en een directie die betaald wordt naar de maatstaven van het grote bedrijfsleven. Het AD zette die twee gezichten naast elkaar.
Een vereniging op vrijwilligers
Voor veel Nederlanders is de ANWB het gezicht van hulp onderweg en van vertrouwde reisinformatie. Achter een groot deel van dat werk zitten vrijwilligers: naar schatting zo'n tienduizend mensen die zich onbetaald inzetten, bijvoorbeeld bij verkeersexamens, fietscontroles en tal van lokale activiteiten. Dat verenigingskarakter, met leden en vrijwilligers, is bepalend voor het imago van de organisatie.
Ook een groot bedrijf
Tegelijk is de ANWB allang niet meer alleen een club. De organisatie draait met onder meer de Wegenwacht, verzekeringen en reizen een aanzienlijke omzet en boekt daar ook winst op. Dat commerciële deel wordt geleid als een professioneel bedrijf, met bijbehorende salarissen aan de top. Volgens het AD verdient de hoogste bestuurder ongeveer zes ton per jaar.
De spanning van twee rollen
Juist die combinatie roept vragen op. Bij een vereniging die deels op onbetaalde inzet leunt, ligt een topsalaris gevoeliger dan bij een gewoon bedrijf. Verdedigers wijzen erop dat je voor het leiden van een grote organisatie nu eenmaal ervaren bestuurders nodig hebt, die ook elders goed betaald zouden worden. Critici vinden dat een ledenorganisatie met een maatschappelijke wortel terughoudender zou moeten zijn. Het is een discussie die vaker speelt bij grote Nederlandse verenigingen en goede doelen, en die met de zomerse drukte op de weg, waar de ANWB volop zichtbaar is, opnieuw actueel is.



