De strijd tussen huisartsen en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) over de tarieven is nog lang niet voorbij. Huisartsenorganisaties als de LHV stappen opnieuw naar de rechter, omdat ze de nieuw vastgestelde vergoedingen te laag vinden. Dat meldt de NOS.

Niet kostendekkend

Volgens de huisartsen sluiten de tarieven niet aan bij de werkelijkheid van de praktijk. De berekeningen van de NZa zouden deels gebaseerd zijn op verouderde cijfers, terwijl de kosten — voor personeel, huisvesting en materialen — de afgelopen jaren juist zijn gestegen. Een veelgenoemd voorbeeld: de NZa rekent in haar model met een werkweek die korter is dan de uren die veel huisartsen daadwerkelijk maken. Daardoor, zo is de redenering, valt de vergoeding per saldo te laag uit om goede zorg te kunnen blijven leveren.

Druk op de huisartsenzorg

De rechtsgang komt niet uit de lucht vallen. De huisartsenzorg staat al langer onder druk: de werkdruk is hoog, mede doordat huisartsen steeds meer taken op zich nemen, en tegelijk is er een tekort aan huisartsen. Honderdduizenden mensen zijn naar schatting op zoek naar een (nieuwe) huisarts. In die context vinden de artsen het extra wrang dat de vergoeding volgens hen onvoldoende ruimte biedt om te investeren in personeel en in tijd voor de patiënt.

Wat de huisartsen willen

De inzet is helder: kostendekkende tarieven en meer tijd voor de patiënt. De organisaties dienen formeel bezwaar in tegen het besluit van de NZa, en als dat niets oplevert, ligt de gang naar het College van Beroep voor het Bedrijfsleven in het verschiet. Het is niet de eerste keer dat het tot een rechtszaak komt; in een eerdere procedure kregen de huisartsen op punten gelijk, waarna de NZa haar besluiten moest herzien.

Hoe nu verder

De NZa houdt vol dat zij zich bij het vaststellen van de tarieven aan de wettelijke regels houdt. De komende maanden moet blijken of de rechter de huisartsen opnieuw (deels) in het gelijk stelt. De uitkomst is van belang voor meer dan de portemonnee van de huisarts alleen: het raakt aan de vraag of de eerstelijnszorg — vaak het eerste aanspreekpunt bij gezondheidsklachten — financieel houdbaar blijft.