Het werkelijke aantal Nederlandse jongeren dat in het buitenland tot prostitutie wordt gedwongen, ligt vermoedelijk veel hoger dan de officiële registraties laten zien. Dat blijkt uit onderzoek van het Centrum Kinderhandel en Mensenhandel (CKM), onderdeel van expertise- en behandelcentrum Fier. Waar officieel negen slachtoffers werden geregistreerd in de periode 2021–2023, schat het CKM dat het er in werkelijkheid minstens 125 waren. Dat meldt de NOS.

Een verborgen groep

De grote kloof tussen negen en 125 laat vooral zien hoe weinig zicht er is op deze slachtoffers. Wie in het buitenland wordt uitgebuit, verdwijnt gemakkelijk uit beeld van de Nederlandse hulpverlening en justitie. Het CKM baseert de schatting op gesprekken met ruim tweehonderd hulpverleners, politiemensen en andere professionals, in binnen- en buitenland.

Het grootste deel van de uitbuiting vond plaats in België; ook Duitsland is een bestemming. Dat het om buurlanden gaat, maakt de situatie extra wrang: de slachtoffers zijn vaak dichtbij, maar buiten bereik van de instanties die hen zouden moeten beschermen.

Steeds op andere plekken

Uit het onderzoek komt een beeld naar voren van slachtoffers die op wisselende plekken worden ingezet: in hotels, woningen, seksclubs en op vakantieparken. Sommigen worden afwisselend in verschillende landen te werk gesteld, waardoor ze telkens weer uit zicht raken. Bij een deel van de meisjes bestaat bovendien het vermoeden dat zij naast de seksuele uitbuiting ook andere criminele taken moeten uitvoeren, zoals het smokkelen van drugs.

Grenzen als blinde vlek

Een kernprobleem is de grens zelf. Tussen Nederlandse organisaties en hun buitenlandse collega's is buiten acute situaties nauwelijks contact of uitwisseling van informatie, constateert het CKM. Juist die versnippering maakt het voor daders makkelijker en voor hulpverleners moeilijker: een slachtoffer dat de grens over gaat, valt al snel tussen twee systemen in.

Wat er nodig is

Het onderzoek onderstreept de behoefte aan betere internationale samenwerking en aan meer kennis bij professionals om signalen van grensoverschrijdende uitbuiting te herkennen. Zolang slachtoffers onzichtbaar blijven voor de instanties, blijft ook hulp uit.

De cijfers zijn nadrukkelijk schattingen, met de onzekerheid die daarbij hoort. Maar juist dat is de kern van de boodschap: het beeld dat de officiële registraties schetsen, is vrijwel zeker een onderschatting van een probleem dat zich grotendeels in het verborgene afspeelt.