Gemeten temperatuur is niet hetzelfde als wat je voelt

De temperatuur die het KNMI meet, geldt voor lucht in de schaduw op anderhalve meter hoogte. Hoe warm het écht aanvoelt, hangt van meer factoren af. De gevoelstemperatuur houdt vooral rekening met de luchttemperatuur en de windsnelheid: wind voert warmte van je huid af, waardoor het koeler aanvoelt. Maar bij hitte spelen ook luchtvochtigheid en zonnestraling een grote rol. In vochtige lucht verdampt je zweet slechter, waardoor je lichaam minder goed afkoelt en het benauwd aanvoelt.

Daarom introduceerde het KNMI begin juni 2026 een nieuwe maat: de hittekracht. Die combineert temperatuur, luchtvochtigheid, zonnestraling én wind op een schaal van 0 tot 10. Een droge dag van 30 graden met een briesje kan zo lager scoren dan een vochtige, windstille dag van 25 graden.

Het stedelijk hitte-eilandeffect

Naast het weer bepaalt ook de omgeving hoe heet het aanvoelt. Steden zijn structureel warmer dan het omringende platteland: het stedelijk hitte-eilandeffect. Steen, asfalt en beton nemen overdag zonnewarmte op en stralen die 's avonds en 's nachts weer uit. In versteende wijken verdampt bovendien weinig water, omdat groen en open water ontbreken. Daar komt warmte bij van verkeer, airco's en menselijke activiteit, terwijl dichte bebouwing de wind tegenhoudt waardoor de warmte blijft hangen.

Volgens de kaart op de Atlas Natuurlijk Kapitaal blijft het gemiddelde verschil tussen stad en platteland onder de 3 graden. Maar dat is een zomergemiddelde. Op hete dagen, en vooral 's nachts wanneer het platteland sneller afkoelt dan de stad, kan het verschil flink oplopen — tot meer dan 7 graden. Juist die warme nachten zijn gevaarlijk voor baby's, kinderen, ouderen en mensen met een zwakke gezondheid, omdat het lichaam dan niet kan herstellen.

Waar voelt het in Nederland het heetst aan?

Twee patronen vallen samen. Ten eerste is het zuiden en zuidoosten doorgaans het warmst: tijdens de huidige hittegolf liep de temperatuur daar op tot zo'n 36 graden, terwijl het aan de kust en op de Waddeneilanden door de zeewind koeler bleef. Ten tweede pieken binnen elke stad de dichtbebouwde, versteende centra en wijken met weinig groen. Op de kaart kleuren die plekken op als oranje kooltjes in een zee van blauw.

Wat eraan te doen is

De belangrijkste oplossing is vergroening. Tien procent meer groen verlaagt het hitte-eilandeffect in een stad met gemiddeld een halve graad. Vooral bomen helpen: ze geven schaduw en koelen via verdamping, en het verschil tussen de schaduw van een boom en asfalt in de volle zon kan oplopen tot tientallen graden aan oppervlaktetemperatuur.

Gemeenten kunnen tegels vervangen door planten, bomen aanplanten, water in de wijk brengen en lichte, reflecterende materialen gebruiken. Bewoners helpen mee met een groene tuin of gevel in plaats van bestrating. En tijdens de hitte zelf: zoek de schaduw op, drink genoeg en houd kwetsbare buren in de gaten.