Het is een van de meest bijzondere zoogdieren op aarde, en tegelijk een van de meest bedreigde: het schubdier. Met zijn pantser van overlappende schubben lijkt het dier nog het meest op een levende dennenappel. Nieuw DNA-onderzoek werpt nu een verrassend licht op deze dieren, schrijft wetenschapssite Scientias.

Het meest gestroopte zoogdier ter wereld

Schubdieren, ook wel pangolins genoemd, hebben een trieste reputatie: geen enkel ander zoogdier wordt zo vaak illegaal verhandeld. De dieren worden massaal gestroopt, vooral vanwege hun schubben. In de traditionele Chinese geneeskunde worden die ten onrechte gezien als een krachtig geneesmiddel en afrodisiacum. Wetenschappelijk bewijs voor zulke werkingen ontbreekt volledig — de schubben bestaan, net als onze nagels en haren, uit keratine.

De combinatie van schuwheid en weerloosheid maakt het schubdier een gemakkelijk doelwit. Bij gevaar rolt het dier zich op tot een bal; effectief tegen roofdieren, maar juist eenvoudig voor stropers, die het opgerolde dier zo kunnen oprapen.

Een museumexemplaar uit 1836

Om deze dieren beter te beschermen, moeten wetenschappers eerst precies weten met welke soorten ze te maken hebben. Juist daar bracht het nieuwe onderzoek een verrassing. De onderzoekers werkten er meer dan vijf jaar aan en gebruikten daarbij onder meer een oud museumexemplaar uit 1836, bewaard in het Natural History Museum in Londen.

Uit de genetische analyse bleek dat een groep schubdieren die tot nu toe als één soort werd beschouwd, in werkelijkheid moet worden opgesplitst. Het Himalaya-schubdier (Manis aurita), dat voorkomt in Nepal en het noorden van India, blijkt genetisch een eigen, aparte soort te zijn — en niet zomaar een variant van het Chinese schubdier.

Waarom die kennis telt

Zo'n ontdekking klinkt als een detail voor specialisten, maar heeft grote praktische waarde. Wie niet weet hoeveel soorten er zijn en waar ze precies leven, kan ze ook niet gericht beschermen. Door het DNA van schubdieren en van in beslag genomen schubben te bestuderen, kunnen onderzoekers beter bepalen waar een gestroopt dier vandaan kwam. Dat helpt om smokkelroutes in kaart te brengen en de handel gerichter aan te pakken.

Voor een dier dat zo zwaar onder de stroperij te lijden heeft, kan elke extra brok kennis het verschil maken. Het schubdier mag dan onbekend zijn bij het grote publiek, in de wereld van natuurbescherming staat het al jaren hoog op de lijst van dieren die dringend hulp nodig hebben. Onderzoek als dit, dat teruggrijpt op bijna twee eeuwen oude exemplaren, laat zien dat musea daarbij een onverwacht belangrijke rol spelen.