Een neushoornschedel met een schotwond, tassen van krokodillenleer, een olifantenpoot en verhuisdozen vol ivoren sieraden. Het is een greep uit de ruim 5800 verboden objecten die in een jaar tijd werden ingeleverd.
Bijna vijf keer zoveel
Het gaat om voorwerpen van beschermde dier- en plantensoorten, ingeleverd tussen juli vorig jaar en juli dit jaar. Dat is een flinke sprong: in de voorafgaande periode ging het nog om ongeveer 1100 objecten. De inleveractie loopt via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
Het grootste deel bestaat uit ivoor, afkomstig van olifantentanden. Daarnaast werden opgezette vogels en schildpadden ingeleverd, en dus de meer opzienbarende stukken zoals de neushoornschedel en de olifantenpoot.
Waarom het verboden is
Voor het bezit van en de handel in beschermde soorten is een vergunning nodig, geregeld via de internationale CITES-afspraken. Veel mensen hebben zulke voorwerpen in huis, vaak geërfd, zonder de papieren die nodig zijn. Inleveren is dan een manier om er legaal vanaf te komen.
Dat kan bij een inleverpunt, of anoniem via een speciale CITES-inleverbak in Den Haag of per post. Die anonimiteit heeft een keerzijde: ze maakt het lastig om te zien wie de objecten inlevert en waar ze vandaan komen.
Wat ermee gebeurt
De meeste ingeleverde spullen worden vernietigd. Dat klinkt hard voor een ivoren sieraad of een opgezette vogel, maar er zit een duidelijke logica achter: zolang de voorwerpen bestaan, kunnen ze weer in de illegale handel belanden. Door ze te vernietigen, wordt die route afgesneden.
Een stille stroom
De sterke stijging laat zien dat er veel meer van zulke objecten in Nederlandse huizen liggen dan je zou denken. Of de toename komt doordat mensen bewuster zijn geworden, of doordat de drempel om in te leveren lager is, valt uit de cijfers niet op te maken. Duidelijk is wel dat er, buiten het zicht, een gestage stroom beschermd natuurbezit uit de huiskamers verdwijnt.


