Weinig fotografen hebben het Nederlandse straatleven zo dichtbij en zo rauw vastgelegd als Ed van der Elsken. In het Rijksmuseum is nu de tentoonstelling Ed van der Elsken. Up Close te zien, een breed overzicht van het werk van de man die geldt als een van de belangrijkste fotografen die Nederland heeft voortgebracht.
De straatfotograaf van Amsterdam en Parijs
Van der Elsken werd in 1925 in Amsterdam geboren en overleed in 1990. Zijn naam werd definitief gevestigd met het fotoboek Een liefdesgeschiedenis in Saint-Germain-des-Prés uit 1956, gemaakt in de jaren dat hij in Parijs woonde. Daarin volgde hij, half documentair en half als een verhaal, de bohemienwereld van jonge mensen in de Franse hoofdstad. Het boek gold als vernieuwend: geen afstandelijke reportage, maar een persoonlijke, bijna filmische vertelling.
Die aanpak bleef zijn handelsmerk. Van der Elsken zocht het contact, de nabijheid, het ongepolijste moment. Hij fotografeerde geliefden, straattypes, feestgangers en voorbijgangers, vaak van heel dichtbij en zonder veel plichtplegingen. Zijn werk wordt in één adem genoemd met dat van internationale grootheden als Robert Frank en William Klein.
Het werkproces zichtbaar
De tentoonstelling in het Rijksmuseum voert de bezoeker langs negen zalen, van zijn vroege reportages uit de jaren vijftig tot zijn laatste fotoboeken in de late jaren tachtig. Bijzonder is dat niet alleen de eindresultaten te zien zijn, maar ook wat eraan voorafging: handgeschreven notities, contactafdrukken vol rode strepen en experimenten uit de donkere kamer. Zo wordt zichtbaar hoe Van der Elsken keuzes maakte, schrapte en ordende — het handwerk achter de beroemde beelden.
Het materiaal komt uit zijn persoonlijke archief, dat sinds 2019 gezamenlijk wordt beheerd door het Rijksmuseum en het Nederlands Fotomuseum. Up Close is de eerste grote tentoonstelling die uit die schat put, met eerder onbekende boekmaquettes en werk in wording.
Hoe dichtbij mag een camera komen?
Juist die nabijheid maakt zijn werk tot op de dag van vandaag onderwerp van discussie. Niet iedereen wilde gefotografeerd worden, en Van der Elsken vroeg lang niet altijd toestemming. Zijn brutaliteit was zijn kracht — hij ving mensen ongeposeerd, echt en kwetsbaar — maar roept ook vragen op over privacy en over de macht die een fotograaf uitoefent over degene voor zijn lens.
Die spanning is niet weg te poetsen, en de tentoonstelling gaat haar ook niet uit de weg. Van der Elsken ging tot het uiterste in het tonen van het leven, tot en met het einde daarvan: aan het slot van zijn leven filmde hij openhartig zijn eigen ziekbed en naderende dood. Het is die radicale eerlijkheid die zijn werk zo indringend maakt.
Een blijvende naam
Dat het Rijksmuseum — bij uitstek het huis van de Nederlandse kunstcanon — een fotograaf zo'n groot podium geeft, zegt iets over de plek die Van der Elsken inmiddels inneemt. Zijn beelden zijn tegelijk tijdsdocument en kunstwerk, en de vragen die ze oproepen over kijken, gezien worden en toestemming zijn juist in het huidige beeldtijdperk actueler dan ooit. Up Close laat zien waarom zijn werk blijft schuren én ontroeren.



