De gedwongen sluiting van twee zorgvilla's van ExpertCare houdt de politiek bezig. In de villa's kregen ernstig zieke en meervoudig gehandicapte kinderen intensieve, vaak 24-uurs medische zorg. Dat die zorg zomaar kon wegvallen, stuit in Den Haag op brede kritiek en frustratie.
Inspectie greep in
Aanleiding is een ingreep van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De toezichthouder gaf ExpertCare een aanwijzing dat de vestigingen in Vleuten en Waalre hun cliënten moesten overdragen. Volgens de inspectie kregen de kinderen op die locaties niet langer de zorg en ondersteuning die zij nodig hebben, en was de organisatie niet meer in staat voldoende deskundig personeel in te zetten. Ook ontbrak het aan goede sturing op kwaliteit, veiligheid en continuïteit.
Het gaat dus nadrukkelijk niet om een faillissement, maar om een sluiting die door de toezichthouder is afgedwongen. De overdracht van de kinderen naar passende alternatieve zorg moest uiterlijk eind juni rond zijn, in overleg met zorgverzekeraars, zorgkantoren en ouders.
Vier villa's, twee dicht
ExpertCare exploiteerde vier van deze gespecialiseerde zorgvilla's, in Vleuten, Waalre, Wezep en Rijswijk. De vestigingen in Vleuten en Waalre zijn nu gesloten; de andere twee bleven vooralsnog open. Volgens de organisatie was het model niet houdbaar: de tarieven van verzekeraars dekten de kosten van de zware, gespecialiseerde zorg niet, er was een tekort aan personeel en de zorg verschuift bovendien steeds meer naar de thuissituatie.
Ouders in onzekerheid
Voor de ouders is de gang van zaken loodzwaar. Zij zorgen voor kinderen die permanent toezicht en complexe medische hulp nodig hebben, en zagen de vertrouwde plek onder hun voeten wegzakken. In gesprek met de NOS beschreef een moeder hoe uitputtend de situatie is: "Je kunt niet eens even naar de wc. Hij heeft constant toezicht nodig. Het vreet ons op."
Politieke nasleep
In Den Haag verdedigde vrijwel niemand de sluiting. Het kabinet had eerder toegezegd dat de villa's open zouden blijven zolang er nog geen definitieve zorg voor de kinderen was geregeld, en stelde een bemiddelaar aan toen de onvrede opliep. Toch dwong de inspectie op grond van de zorgkwaliteit alsnog de sluiting van twee locaties af, terwijl er nog een kort geding liep.
De kwestie legt een pijnlijk knelpunt bloot: hoe kan de zorg voor de meest kwetsbare kinderen zo in het gedrang komen? Die vraag zal de komende tijd zowel in de Tweede Kamer als bij de betrokken zorgpartijen op tafel blijven liggen. Voor de getroffen gezinnen telt intussen vooral of hun kind snel weer een veilige, passende plek vindt.



