Er is een bouwopgave in Nederland die nooit in de verkiezingsdebatten voorkomt, en die toch in vrijwel elke straat zichtbaar wordt. Tot 2040 zijn er bijna 50.000 extra transformatorhuisjes nodig. Uitgesmeerd over die jaren komt dat neer op ongeveer tien per dag.
Waarom er zoveel bij moeten
Het transformatorhuisje is de laatste schakel voor de stroom uw huis in gaat: daar wordt de spanning omlaag gebracht naar iets wat een stopcontact aankan. Zolang een wijk vooral stroom verbruikte, volstond het bestaande aantal.
Dat is veranderd. Zonnepanelen leveren midden op de dag massaal terug, warmtepompen en laadpalen trekken 's avonds forse pieken, en bedrijven vragen aansluitingen die vroeger niet bestonden. Al die stromen moeten door dezelfde kasten heen, en dus zijn er meer en zwaardere nodig.
Hoe knellend dat is, blijkt in Utrecht, waar sinds 1 juli een aansluitstop geldt vanwege capaciteitsproblemen. Wachten op een transformatorhuisje is daar niet langer een theoretisch probleem maar een reden waarom een aansluiting simpelweg niet kan.
Het tempo bij een van de netbeheerders
Wat dat in de praktijk betekent, laat netbeheerder Stedin zien, actief in Utrecht, Zeeland en Zuid-Holland. Dat bedrijf plaatste in 2024 353 nieuwe stations, fors meer dan het jaar ervoor. Dat is bijna een per dag, bij een van de zes regionale netbeheerders.
De kosten van de bredere netverzwaring zijn navenant. Voor de problemen op het stroomnet is volgens eerdere berekeningen bijna 200 miljard euro nodig, een bedrag dat via de nettarieven op de energierekening terechtkomt.
De ruimte is het echte probleem
Techniek en geld zijn niet eens de grootste hindernis. Dat is de vraag waar zo'n huisje moet komen te staan. In een volgebouwde wijk is elke vierkante meter al van iemand: een parkeerplaats, een speelplek, een groenstrook, iemands uitzicht.
Een voormalig raadslid uit Baarn vatte het tegenover de NOS samen: "Vaak is er maar één locatie mogelijk of hooguit twee." Dat betekent dat de discussie zelden gaat over of het huisje er komt, maar over wie het voor de deur krijgt.
Nijntje op de kast
Precies daarom is het uiterlijk opeens beleid geworden. Netbeheerder Stedin biedt gemeenten camouflage met groen aan, of verfraaiing met een muurschildering of een sedumdak. Baarn wil zijn huisjes in Escher-stijl laten schilderen.
Utrecht ging het verst en schreef een ontwerpwedstrijd uit. Onder de inzendingen zaten voorstellen met Nijntje, de figuur van stadsgenoot Dick Bruna. Drie winnende ontwerpen worden tussen 2027 en 2030 uitgevoerd.
Dat oogt als een detail, maar het is een verstandige zet. Wie tienduizenden grijze kasten in woonwijken zet, kweekt bezwaarschriften. Wie er iets neerzet waar de buurt zelf over mocht meedenken, koopt draagvlak voor een infrastructuur die er hoe dan ook moet komen. De energietransitie wordt hier heel letterlijk zichtbaar, op de hoek van de straat.



