Wapens in een graf zijn een van de lastigste vondsten uit de archeologie. Ze kunnen betekenen dat de overledene ermee omging, maar net zo goed dat ze status uitdrukten, of een religieuze functie hadden. Bij vijf Egyptische prinsessen uit de necropool van Dahshur wijst nieuw onderzoek naar het bot zelf, en dat vertelt een ander verhaal dan het beeld van een leven in ledigheid.

Wat er is onderzocht

Een team onder leiding van Zaineb Hashesh van de universiteit van Beni-Suef bekeek zes skeletten: koning Hor en vijf vrouwen, onder wie Ita, Khenmet, Itaweret en Nubhetepti-Khered. De resten werden in de jaren negentig van de negentiende eeuw opgegraven door Jacques de Morgan en dateren uit de twaalfde dynastie, rond 1900 voor Christus, schrijft The Conversation. De studie verscheen deze maand in het tijdschrift Frontiers in Environmental Archaeology.

De methode heet osteobiografie: uit de vorm van botten en de plekken waar spieren aanhechtten, valt af te leiden welke bewegingen iemand jarenlang heeft herhaald. Bot is levend weefsel dat zich aanpast aan belasting, en die aanpassing blijft duizenden jaren leesbaar.

Wat de botten laten zien

De onderzoekers vonden spieraanhechtingen die horen bij het herhaald knijpen en trekken met precisie, een patroon dat past bij boogschieten. Bij een van de vrouwen bleek een middenhandsbeentje gekromd, en bij prinses Ita waren de spieraanhechtingen in de onderarm en de pink opvallend zwaar ontwikkeld.

In de graven lagen bogen, pijlen, strijdknotsen en een fraai bewerkte dolk met lapis lazuli, turkoois en goud. De combinatie van die voorwerpen met sporen van jarenlange belasting op precies de plekken die je bij boogschieten verwacht, maakt de conclusie aannemelijker dan wapens alleen zouden doen.

Waar de conclusie ophoudt

Hier is voorzichtigheid geboden, en de onderzoekers zijn dat zelf ook. Botmarkeringen kunnen geen enkele specifieke activiteit bewijzen; ze zijn een goede aanwijzing voor langdurige bewegingspatronen, meer niet.

Dat verschil is wezenlijk. Sporen die passen bij boogschieten kunnen komen van de jacht, van sport, van ceremonieel schieten of van training. Ze zijn geen bewijs dat deze vrouwen aan veldslagen deelnamen. "Krijgsprinses" is dus een aantrekkelijke maar te grote sprong.

Waarom het toch iets verandert

Wat er wel overblijft, is nog steeds interessant genoeg. Het gangbare beeld van koninklijke vrouwen in het Middenrijk is dat van ceremoniële figuren, wier grafgiften vooral rijkdom uitdrukten. Deze botten wijzen op lichamen die jarenlang iets fysieks deden, met genoeg herhaling om er blijvende sporen van te dragen.

Dat maakt de wapens in hun graven waarschijnlijk minder symbolisch dan gedacht. En het is een goede herinnering dat archeologie soms verder komt door naar de mensen te kijken in plaats van naar wat er naast hen lag.