Het begon, zoals zoveel Amsterdamse onrust, op de Botermarkt — het plein dat wij nu Rembrandtplein noemen. Het was eind juni 1748 toen de vlam in de pan sloeg. Visvrouwen en sjouwers, dagloners en straatventers stroomden samen, bewapend met stenen en woede. De belastingpachters hadden het te bont gemaakt.
Een systeem om woedend van te worden
Het systeem was even simpel als schaamteloos. De overheid verpachtte het recht om belastingen te innen aan rijke kooplieden, die daarvoor een vaste som betaalden. Alles wat ze daarbóvenop incasseerden, mochten ze houden. Het gevolg laat zich raden: de pachters schrokken nergens voor terug om iedere stuiver uit de beurs van de gewone Amsterdammer te persen. Op brood, op zeep, op turf — op alles wat mensen dagelijks nodig hadden, werd geheven. Terwijl de stad kreunde onder de gevolgen van oorlog en handelsverval, bolden de pakhuizen en beurzen van de pachters.
De onrust was overgewaaid uit Friesland, waar het al weken smeulde. Op de bewuste avond gingen de eerste pakhuizen en grachtenpanden van belastingpachters tegen de vlakte. Stoelen, klokken, schilderijen, porselein — alles belandde op straat of in de gracht.
'Vandaag zijn wíj de baas'
Een van de kleurrijkste figuren in het geweld was Marretje Arents, een visvrouw die de geschiedenis in zou gaan als 'het limoenwijf'. Ze verscheen op de Botermarkt en hitste de menigte op. Haar woorden werden overgeleverd door een tijdgenoot: "Vandaag zijn wij de baas en morgen komen wij naar jullie toe op het stadhuis." Het werd haar noodlottig: enkele dagen later werd zij opgehangen bij de Waag op de Dam.
De papegaai van de Singel
En dan is er die papegaai.
Bij de plundering van het herenhuis van belastingpachter A.M. van Arssen aan de Singel — waar stoelen, klokken, schilderijen en vogelkooien naar buiten werden gesleurd — bevond zich een papegaai die zijn vocabulaire kennelijk in een niet bepaald rustig huishouden had opgebouwd. Terwijl de menigte het huis overhoophaalde, begon de vogel te roepen wat hij geleerd had: "Moord! Moord!"
Voor de opgewonden menigte was dat genoeg. Of de papegaai nu zijn eigenaar beschuldigde of zijn belagers — het maakte niet uit. De vogel sprak de verkeerde woorden op het verkeerde moment. Hij werd onthoofd.
Het is een klein, wreed tafereel in een groot, wreed oproer. Maar het zegt iets wezenlijks over de sfeer in Amsterdam die junidagen. De spanning stond zo hoog gespannen dat zelfs een pratende vogel geen genade vond. Een papegaai die 'moord' riep in het huis van een pachter: dat klonk als een aanklacht, of als een belediging. Niemand wachtte op uitleg.
De nasleep
Het oproer duurde enkele dagen en eiste meerdere mensenlevens. Tientallen huizen werden geplunderd of verwoest. De politieke gevolgen waren aanzienlijk: de belastingpacht in de oude vorm raakte in diskrediet en werd hervormd. Stadhouder Willem IV, die nog maar net was aangesteld, zag zich gedwongen toezeggingen te doen, terwijl burgerhervormers — de zogenoemde Doelisten — de onrust aangrepen om de macht van de regenten ter discussie te stellen.
De papegaai van de Singel haalt zelden de grote geschiedenisboeken. Hij is een voetnoot, een anekdote die te mooi is om te laten liggen. Maar misschien is hij ook een klein schilderijtje in het grote panorama van 1748: een beeld van hoe ver collectieve razernij kan gaan, en hoe willekeurig haar slachtoffers soms waren. Amsterdam, die zomer, was een stad die kookte. En in die hitte verloor zelfs een papegaai zijn hoofd.



