De reislust van Nederland is onverminderd groot. Tijdens de afgelopen zomer trokken inwoners van ons land in totaal 21,9 miljoen keer op vakantie, zo blijkt uit het Vakantieonderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het CBS keek daarbij naar de periode van eind april tot begin oktober 2025.

Zeven op de tien gingen weg

Achter dat cijfer van bijna 22 miljoen vakanties gaan 10,8 miljoen reizigers schuil. Dat komt neer op 72 procent van alle Nederlanders van vijftien jaar en ouder die minstens één keer de koffer pakten. Wie op vakantie ging, deed dat dus gemiddeld meer dan eens: veel mensen combineerden een langere reis met een of meer korte uitstapjes.

De cijfers zijn afkomstig uit het doorlopende Vakantieonderzoek (CVO), waarmee het statistiekbureau jaarlijks in kaart brengt hoe en waarheen Nederland reist. De metingen liepen dit keer van 26 april tot 1 oktober.

Buitenland wint nipt van eigen land

Van alle geregistreerde reizen bleven er 9,0 miljoen binnen de landsgrenzen, terwijl 12,9 miljoen vakanties naar het buitenland leidden. Het buitenland trok dus meer reizen, maar het eigen land houdt met afstand stand als vakantiebestemming. Binnen Nederland was Gelderland veruit favoriet, goed voor ruim 1,6 miljoen vakanties, gevolgd door Noord-Holland en Noord-Brabant.

Over de grens is het beeld al jaren vertrouwd. Frankrijk voert de ranglijst aan met zo'n 2,15 miljoen vakanties. Op afstand volgen Duitsland (1,73 miljoen), Spanje (1,35 miljoen), België (1,15 miljoen) en Italië (1,11 miljoen). De top vijf bestaat daarmee volledig uit bestemmingen die met de auto binnen een dag te bereiken zijn.

Zonaanbidders op een strand bij Cannes aan de Franse Rivièra
CC

De auto blijft koning

Dat verklaart mede waarom de auto het vervoermiddel bij uitstek blijft. Ruim 13,4 miljoen reizen werden met de auto afgelegd. Vooral bij binnenlandse trips is dat vanzelfsprekend, maar ook voor een aanzienlijk deel van de buitenlandreizen stapten Nederlanders achter het stuur. Het vliegtuig was goed voor 4,9 miljoen vakanties, doorgaans naar verder gelegen bestemmingen, en de trein voor zo'n 1,7 miljoen reizen.

Vakantie hangt sterk samen met inkomen

Opvallend is hoe scheef de vakantiedeelname verdeeld is over inkomensgroepen. Van de mensen met de hoogste inkomens ging 87 procent er in de zomer op uit, tegenover 41 procent van de laagste inkomensgroep. Dat verschil van ruim veertig procentpunt laat zien dat een zomervakantie voor een aanzienlijk deel van Nederland allerminst vanzelfsprekend is, en sterk samenhangt met de portemonnee.

Of de reislust dit jaar is toe- of afgenomen ten opzichte van de zomer van 2024, en welke rol de vakantieprijzen daarbij speelden, meldt het CBS in deze publicatie niet. Wel bevestigen de cijfers een hardnekkig patroon: Nederlanders reizen graag, blijven het liefst dicht bij huis en pakken massaal de auto.