De cijfers gaan de goede kant op, en flink ook. Van de mensen die in 2024 een asielvergunning kregen, was 13 procent binnen drie maanden aan het werk. Van het cohort uit 2014 was dat 1 procent. Dat is geen geleidelijke verbetering, dat is een andere startsituatie.

Wat er veranderde

Een deel van de verklaring is simpel en juridisch: eind 2023 verdween de regel die asielzoekers beperkte tot 24 weken werk per jaar. Die beperking maakte hen voor veel werkgevers onaantrekkelijk, want een kracht die je maar een half jaar mag inzetten, leid je niet graag op.

Daarnaast is de arbeidsmarkt zelf krapper geworden. Sectoren die eerder konden kiezen, kijken nu breder.

De aard van het werk

Hier is nuance op zijn plaats, want "aan het werk" zegt weinig over de kwaliteit van dat werk. Ongeveer de helft van de werkende statushouders uit het cohort 2024 begon als oproepkracht. Ruim een kwart startte via een uitzendbureau, meer dan het dubbele van 2014. Na een half jaar werkt de helft in de horeca of via een uitzendbureau.

Dat zijn de flexibele randen van de arbeidsmarkt: snel binnen te komen, maar met weinig zekerheid en beperkte doorgroei. De lange lijn uit de CBS-cijfers laat wel zien dat het daarbij niet hoeft te blijven. Van de jonge mannen uit het cohort 2014 werkte na zeven jaar ruim 70 procent.

Waar het kabinet op inzet

Het beeld tijdens de inburgeringsperiode is voorlopig nog somber: volgens het ministerie werkt in die fase 75 procent niet. Minister Thierry Aartsen van Werk en Participatie zet daarom in op zogeheten startbanen, waarbij werken en inburgeren tegelijk gebeuren in plaats van na elkaar.

Ruim tachtig gemeenten bieden zulke startbanen aan. Uit de evaluatie van eerdere proeven kwam naar voren dat 44 procent van de deelnemers doorstroomde naar werk, terwijl 10 procent uitviel.

Voor werkgevers is er daarnaast een subsidieregeling die dit jaar opnieuw openstaat: een vergoeding van 3.000 euro per statushouder die zij in dienst nemen, aan te vragen tot eind september.

Wat er blijft knellen

Drie drempels keren in vrijwel elke analyse terug. De taal is de eerste en grootste. De erkenning van in het buitenland behaalde diploma's is de tweede: wie arts, verpleegkundige of ingenieur was, is dat in Nederland niet automatisch. De derde is huisvesting, want wie ver van het werk wordt geplaatst of nog in een opvanglocatie zit, kan een baan lastig volhouden.

Die drempels verklaren ook waarom de winst nu vooral in flexwerk zit. Een uitzendbaan vraagt weinig papieren en weinig Nederlands. Een vaste functie op niveau vraagt beide, en daar is de weg nog lang.