Precies zeven jaar na de maanlanding, op 20 juli 1976, zette Viking 1 zijn poten in het Marsstof. Aan boord zat iets wat geen enkele missie daarvoor had meegenomen: een compleet miniatuurlaboratorium, gebouwd om één vraag te beantwoorden. Leeft daar iets?

Vijftig jaar later is het antwoord nog altijd niet gegeven, en dat is een interessanter verhaal dan een simpel ja of nee.

Drie experimenten die reageerden

De Vikings deden drie proeven waarbij ze water, voedingsstoffen en warmte aan Marsgrond toevoegden, om te zien of er iets terugkwam. En er kwam iets terug: alle drie de levenzoekende experimenten lieten reacties zien.

Een vierde instrument moest bevestigen wat de andere drie suggereerden door organische moleculen aan te tonen. Dat vond ze niet. Wat het wel vond, waren chloorkoolstofverbindingen, en die werden destijds afgedaan als vervuiling: schoonmaakmiddel van de aarde, meegereisd in de apparatuur.

Zonder organische moleculen leek de conclusie onvermijdelijk. De reacties moesten een chemische verklaring hebben, geen biologische.

Waarom dat oordeel later begon te schuiven

Het bewijs dat die conclusie wankel maakte, kwam pas decennia later, en uit onverwachte hoek. De Phoenix-lander trof chloorhoudende mineralen aan in de Marsbodem. Dat is relevant omdat die stoffen bij verhitting reageren, en het Viking-instrument verhitte zijn monsters juist om organische stoffen vrij te maken.

De implicatie: als er organische moleculen in de bodem zaten, kan de meetmethode ze bij verhitting hebben omgezet in precies die chloorkoolstofverbindingen die men voor vervuiling aanzag. Het instrument zou zijn eigen vondst hebben vernietigd.

Er loopt nog een tweede lezing die het vermelden waard is: door de forse hoeveelheid water die de experimenten toevoegden, zouden eventuele micro-organismen die aan extreme droogte zijn aangepast domweg verdronken kunnen zijn.

Beide verklaringen zijn hypotheses. Geen van beide bewijst leven, en dat onderscheid is de kern van dit hele dossier.

Wat we sindsdien wél weten

Latere missies hebben de vraag verschoven van "is er organische chemie op Mars" naar "waar komt die vandaan". Rovers hebben organische moleculen in oude gesteenten aangetroffen, en Mars kende in zijn verre verleden vloeibaar water.

Maar organische moleculen zijn geen levende wezens. Ze ontstaan ook zonder biologie, bijvoorbeeld door geologische processen of via meteorieten. De aanwezigheid ervan maakt de vraag interessanter, niet beantwoord.

Wie het antwoord moet gaan halen

Astrobioloog Inge Loes ten Kate van de Universiteit Utrecht is een van de onderzoekers die dit terrein in Nederland volgt. De hoop is de komende jaren vooral gericht op de Europese rover Rosalind Franklin, die in 2030 op Mars moet landen en dieper kan boren dan eerdere voertuigen, waardoor zij monsters kan nemen die niet decennialang door straling zijn aangetast.

Tegelijk is er een tegenslag: de Amerikaanse Mars Sample Return-missie, die monsters naar aardse laboratoria zou brengen, is geschrapt. Juist dat plan gold als de meest kansrijke route naar een sluitend antwoord, omdat aardse laboratoria onvergelijkbaar veel gevoeliger zijn dan wat je op een rover kunt monteren.

De les van vijftig jaar

Wat Viking uiteindelijk aantoonde, is hoe moeilijk het is om leven te herkennen als je niet precies weet waar je naar zoekt. De instrumenten deden wat ze moesten doen. De interpretatie was het probleem, en die interpretatie is een halve eeuw later nog niet af.