Er bestaat een datum in de Zwitserse gletsjerkunde die niemand graag vroeg ziet vallen: de Glacier Loss Day. Dat is de dag waarop alle sneeuw die in de afgelopen winter op een gletsjer viel, weer is weggesmolten. Alles wat daarna wegsmelt, is het gletsjerijs zelf, en dat komt niet terug. Dit jaar viel die dag al op 29 juni, de op één na vroegste ooit gemeten.

Alleen 2022 was nog vroeger: toen viel de datum op 26 juni. In een gezond jaar gebeurt dit pas rond half augustus.

Waarom dit een slecht teken is

De wintersneeuw is voor een gletsjer wat een spaarrekening is voor een huishouden. Zolang die laag er ligt, teert de gletsjer niet in op zijn kapitaal. Bovendien is verse sneeuw wit en kaatst zij zonlicht terug. Zodra die laag verdwijnt, ligt het donkerder, oudere ijs bloot, dat juist warmte opneemt. Het smelten versnelt zichzelf dus zodra het eenmaal op gang is.

Dat is precies wat er dit jaar gebeurde. De winter leverde te weinig sneeuw, in mei volgde een eerste warme periode die de dunne laag alvast aantastte, en de hittegolf van eind juni deed de rest.

Wat de metingen laten zien

De cijfers komen van GLAMOS, het Zwitserse meetnetwerk dat de gletsjers al decennia volgt, en van onderzoekers van ETH Zürich. Zij beschikken over een van de langste meetreeksen van Europa en kunnen dit jaar dus tegen decennia aan waarnemingen afzetten.

Uit die reeks komen twee bevindingen naar voren. Het huidige smelttempo ligt op ongeveer het dubbele van het gemiddelde over 2010 tot 2020. En tussen 2003 en 2022 verdween er zo'n 200 vierkante kilometer aan gletsjeroppervlak in Zwitserland, ongeveer vier keer de oppervlakte van de gemeente Amsterdam.

Ter vergelijking: in 2022, tot nu toe het zwartste jaar in de reeks, verloren de Zwitserse gletsjers in één seizoen ongeveer zes procent van hun massa. Glaciologen hielden er eind juni rekening mee dat 2026 in die buurt kan uitkomen.

De paradox van het smeltwater

Er zit een wrange logica in dit soort jaren, en die is het vermelden waard omdat zij vaak wordt gemist. Een gletsjer die snel smelt, levert veel water. Maar een gletsjer die is opgebruikt, levert niets meer.

Glacioloog Matthias Huss wijst daarop: op termijn wordt de afname van het smeltwater merkbaar zodra de ijsmassa's zo ver zijn geslonken dat zelfs extreme smelt het massaverlies niet meer kan compenseren. Voor de Alpenlanden is dat geen abstractie. Rivieren als de Rhône en de Rijn krijgen in droge zomers een deel van hun water uit die gletsjers, en dat buffervermogen verdwijnt met het ijs.

Wat er nog rest van het seizoen

Het smeltseizoen loopt normaal gesproken door tot in september. Elke warme week die daar nog bij komt, gaat rechtstreeks ten koste van het ijs zelf. Wat er aan het eind van de zomer overblijft, bepaalt hoe zwaar dit jaar in de boeken komt te staan, en of 2026 inderdaad in de buurt van 2022 uitkomt.